ONDERZOEKEN

Elke ouder maakt zich weleens zorgen over zijn kind. Maar soms worden de zorgen te groot en lijkt er meer aan de hand te zijn. De ontwikkeling stagneert, op school zijn er problemen en uw kind zit niet lekker in zijn vel. Dan is het goed om verder te kijken en hulp in te schakelen. Er zijn verschillende soorten onderzoeken die duidelijkheid kunnen geven over wat er aan de hand is. Samen bekijken we op welke vragen u als ouder antwoord wilt hebben en welk onderzoek zinvol kan zijn.

Wanneer het onderzoek is afgerond, bespreek ik met u de resultaten. Uw kind mag bij dit gesprek aanwezig zijn. Vanzelfsprekend ontvangt u een schriftelijke rapportage van het onderzoek.

In sommige gevallen kan het goed zijn de cognitieve capaciteiten van een kind in kaart te brengen. Wat zijn sterke kanten en op welke gebieden komt een kind misschien vaardigheden tekort? Ook geeft dit onderzoek meer zicht op schoolse vaardigheden, zoals aandacht, concentratie, (werk-) geheugen, werkhouding, en taakaanpak.

De meest gebruikte test is de WISC III. Deze is bedoeld voor kinderen van 6 t/m 16 jaar. Voor jongere kinderen is er de WIPPSI (vanaf 2½ jaar). De test bestaat uit een verbaal gedeelte (algemene kennis, woordenschat en het onder woorden kunnen brengen van wat je bedoelt), en een performaal gedeelte (ruimtelijk inzicht, motoriek en praktische oplossingsvaardigheden).

Bij de meeste kinderen verloopt de ontwikkeling van het lezen en spellen goed. Sommige kinderen leren dit wat minder snel. Ze krijgen dan op school extra hulp en ruim de helft van deze kinderen gaat dan goed vooruit met lezen en spellen.  Als een kind ondanks gerichte hulp en begeleiding niet vooruit gaat, kan er sprake zijn van dyslexie.

Een kind kan erg moe zijn aan het eind van een schooldag, omdat het lezen en spellen zoveel energie kost. Het lezen gaat dan niet vanzelf, het kind moet voortdurend ontsleutelen wat er staat geschreven, of altijd diep nadenken hoe je ook alweer iets schrijft. Het kan zijn dat een kind gaat denken dat hij dom is, omdat het telkens fouten blijft maken. Dat is niet goed voor het zelfvertrouwen. Als kinderen horen dat ze dyslexie hebben, zijn ze vaak opgelucht.

Slimme kinderen hebben het niet altijd gemakkelijk op school. Ze hebben een ander denkniveau, gaan zich vervelen en voelen zich vaak niet begrepen door hun leeftijdgenootjes. De lesstof is al gauw saai. Het kan zijn dat ze gaan onderpresteren, waardoor het niet duidelijk is dat ze slimmer zijn. Vaak moeten ze zich aanpassen aan het schoolsysteem, maar omdat ze gedemotiveerd raken kunnen er gedragsproblemen ontstaan.

Als u weet dat uw kind hoogbegaafd is, kunt u op zoek naar een passende leeromgeving. Bijvoorbeeld door extra lesstof op school te vragen. Soms is aansluiten bij een klas of school voor hoogbegaafde kinderen een goede oplossing.

Soms geven het gedrag en de ontwikkeling van een kind aanleiding tot zorg. U vraagt zich wellicht af: “Wat is er toch met mijn kind?” In dat geval is het goed om samen te bekijken wat er aan de hand kan zijn en welk onderzoek passend is.

Het zal dus een onderzoek op maat zijn, maar in elk geval zal er een moment zijn waarop uw kind onderzocht wordt met tests en vragenlijsten.  Ook is het waarschijnlijk dat ik u als ouders vraag om vragenlijsten over uw kind in te vullen en dat u vragenlijsten meekrijgt voor de leerkracht van uw kind. Daarnaast kunnen we er samen voor kiezen dat ik uw kind in de klas ga observeren.